D
Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht,
Daarna toog Israël, gedreven
Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer,
Dan zingen zij, in God verblijd,
Dan zou ik, voor Uw Godd'lijk oog,
Dat Israël nu zegge, blij van geest:
Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;
Dat wij ons ambt en plicht, o HEER,
Dat zal den HEER veel aangenamer zijn
De dag is d' Uw'; ook vormdet Gij den nacht;
De God des heils wil mij ten Herder wezen;
De grote Schepper aller dingen
De HEER is recht in al Zijn weg en werk;
De HEER, de God der legerscharen,
De koningen, hoe zeer geducht,
De lofzang klimt uit Sions zalen
De schrik des nachts doet u niet vliên,
De steen, dien door de tempelbouwers
Des HEEREN woord is rein, en al Zijn spreken
Die hier bedrukt met tranen zaait,
Die Hij van ver uit d' oorden
Die met zijn tong niet achterklapt;
Dit is de dag, de roem der dagen,
Dit is, dit is de poort des HEEREN;
Doe een teken mij ten goede,
Doe mij op 't pad van Uw geboden treên;
