G
Geef ons genâ, geef ons genâ, o HEER,
Geen aardse macht begeren wij,
Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Gij hebt mij van mijn kindse dagen
Gij hebt van acht'ren mij bezet;
Gij koninkrijken, zingt Gods lof;
Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij,
Gij, evenwel, Gij blijft dezelfd', o HEER;
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof;
Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont,
God baande door de woeste baren
God is goed: looft Hem te zaâm
God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen?
God laat hen nooit in 's haters wreed vermogen;
God roeit hen uit, die 's vromen rust verstoren;
God zal ze Zelf bevestigen en schragen,
Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
