Algemeen
Uitleg psalmen Digitaal schoolbord Over de berijmingen De Franse berijming De Nieuwe Psalmber... > Meer Over de Psalmen
Psalmen in de Bijbel Hebreeuwse Poë... Hebreeuwse Poë... Hebreeuwse Poë... Geweldsteksten > Meer Opinie
Onbekende psalmen Aangeboren muzikal... Psalmkeuze Populaire psalmen Aanpassen melodie > Meer Ingezonden
Rubriek ingezonden Zingen van psalmen Geschiedenis Psalmen Meditatie over psa... Verantwoording Mee... > Meer Studie berijmingen
Over Psalmen gespr... Over Psalmen gespr... Over Psalmen gespr... Over Psalmen gespr... Catechisatieles
Catechismus vr. 1 Catechismus vr. 2 Catechismus vr. 3 ... Catechismus vr. 6 Catechismus vr. 10 > Meer Dordtse Leerregels
H 1 artikel 1 H 1 artikel 2 H 1 artikel 3 en 4 H 1 artikel 5 H 1 artikel 6 > Meer Hoe moet ik omgaan met
Aalmoezen Aanvechtingen Achterklap Afgoderij Alcohol > Meer Des HEEREN Lof
Johannes à Lasco ... Johannes à Lasco ... Johannes à Lasco ... Johannes à Lasco ... Johannes à Lasco ... > Meer wat de bijbel zegt over
Abraham Benauwdheid De drie-eenheid (1) De drie-eenheid (4) De drie-eenheid (2) > Meer De Catechismus van Genève
Vraag 1 t/m 5 Vraag 6 t/m 14 Vraag 15 t/m 20 Vraag 21 t/m 29 Vraag 30 t/m 45 > Meer Waar jij mee zit
Gospelmuziek Onbekeerd na een k... Gods berouw De speelfilm Gods eer boven eig... > Meer

Nadat de Catechismus ons in de vragen en antwoorden 69 & 70 heeft verteld wat volgens de reformatoren of kerkhervormers de doop inhoudt, wordt een echt reformatorische vraag aan de orde gesteld. Een vraag die we in een ander verband al eens eerder in de Catechismus aantroffen, namelijk in vraag 19. Nadat in antwoord 18 was gezegd dat God Zijn Zoon aan ons heeft gegeven als volkomen Middelaar, wordt de vraag gesteld: waaruit weet gij dat? Zo komt nu, nadat heerlijke dingen over de doop zijn beweerd, dezelfde vraag aan de orde (vraag 71):

Waar heeft Christus ons beloofd, dat Hij ons zo zeker met Zijn bloed wil wassen, als wij met het doopwater gewassen worden?

Het klinkt net alsof de vraagsteller zegt: u kunt dat wel beweren, geachte catechiseermeester, maar… zou het wel waar zijn? Hoe weet ik nou of het echt zo is? U kunt zich immers ook vergissen! En het gaat over zó belangrijke dingen, dat ik het toch wel liever zeker weet. Daarom pak ik de Bijbel en zeg: wijs mij eens aan waar dat staat dat Christus ons net zo zeker met Zijn bloed en Geest wil wassen van onze zonden, als wij gedoopt zijn? Deze vraag veronderstelt dat we een totaal andere bron hebben dan de roomse kerk. In de roomse kerk was en is het erg onbelangrijk of iets in de Bijbel staat, maar is het wél belangrijk of iets door de kerk / de paus wordt beweerd. Staat het niet in de Bijbel, maar staat het wel in je kerkboekje, dan moet je ermee tevreden zijn en dan kun je er gerust op aan dat het waar is, want de paus vergist zich niet, die is onfeilbaar! Tussen haakjes: de roomse kerk bedoelt niet dat de paus elke dag en heel de dag onfeilbaar is, maar alleen als hij ex cathedra spreekt. Jullie kennen het woord ‘kathedraal’. In een kathedraal staat een cathedra, namelijk van de bisschop. De uitdrukking ex cathedra is afkomstig van het Latijn en betekent letterlijk: ‘vanuit de zetel’ (dat is: gesproken vanuit de pauselijke zetel). Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) beweert: “Deze onfeilbaarheid bezit de paus, het hoofd van het college van bisschoppen, krachtens zijn ambt, wanneer hij als opperste herder en leraar van alle gelovigen, die zijn broeders versterkt in het geloof, een leer over geloof of zeden proclameert.”

Protestanten steunen voor hun zaligheid niet op een zogenaamd onfeilbare paus, maar op het onfeilbare Woord van God. En daarom traint een goede catechiseermeester zijn catechisanten om steeds te vragen: waar staat dat in de Bijbel? Alleen dát wat in Gods Woord staat, moet je geloven tot je zaligheid en tot Gods dienst. Misschien denk je: moet en mag ik alles geloven wat in de Bijbel staat? Er staan zoveel dingen in die ik niet begrijp, of waarvan ik denk: dat kan toch niet, of: is dat wel eerlijk? De Duitse monnik Maarten Luther en de Franse rechtsgeleerde Johannes Calvijn met al de andere reformatoren hebben toch staande gehouden: al wat in Gods Woord staat, is waar. De Catechismus zegt dat ook in antwoord 21:

Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waar houd, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft.

In vraag 71 gaat het niet zozeer over allerlei onbegrijpelijke dingen, zoals een profeet in de maag van een vis, die daar drie dagen overleeft. Maar het gaat nu over een ongelooflijk rijke en toch volkomen geloofwaardige belofte van God, namelijk de vergeving van onze zonden… Zit jij daar ook mee? Denk jij: “Dat is veel te groot, dat ík vergeving van al mijn zonden zou krijgen, terwijl ik zó slecht ben! Als ik nu ’s wat beter zou leven, wat ernstiger zou bidden, wat heiliger in mijn begeerten zou wezen…, dán, ja dan zou ik het misschien kunnen en durven geloven dat de Heere Jezus mij reinigt van al mijn zonden. Maar nu? Ik val elke dag zo tegen!” Daarom is het zo belangrijk dat de Catechismus deze vraag er bij zet:

Waar heeft Christus toegezegd / beloofd, dat Hij mij wil wassen van mijn zonden?

Stel je nu eens voor dat in de Bijbel stond: “Ik, Jezus, beloof aan xxx (jouw naam) jouw zonden te vergeven!”, zou je het dan geloven, ook al voel je je ook nog zo slecht? Of denk je heimelijk: al staat het in de Heilige Schrift, dan geloof ik het nog niet; ik durf het niet te geloven. Ik kán het niet geloven, dat God Zijn Zoon voor mij heeft overgegeven aan het kruis. Wanneer geloof jij het dan wel? Wat doe je trouwens als je het niet gelooft, wat God zegt? Dan, nou? Dan verklaar je Hem tot leugenaar…! Durf je dat? Dat je mij of ook de opstellers van de Catechismus niet vertrouwt, OK, maar God in Zijn Woord niet vertrouwen…, dat is toch wel heel erg, niet? Misschien denk je: goed, als ik het in de Bijbel zó duidelijk vond dat mijn naam er stond en dat God zei dat Hij míj genadig zou zijn, dan zou ik het wel durven geloven, maar ja, dat staat er niet! Toch wel! God zegt door de profeet Joël (hoofdstuk 2 vers 32):

En het zal geschieden, al wie de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.

Maar ja, er staat wel direct een adres bij…

… want op de berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft; en wel bij de overgeblevenen die de HEERE zal roepen.

Dus als de Heere jou niet roept? Petrus haalt deze woorden in zijn pinksterpreek (Handelingen 2 vers 21) aan en vermeldt verder niets dan:

En het zal zijn, dat een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

Paulus citeert deze woorden nóg een keer (Romeinen 10 vers 13), net alsof de Heere je extra wil uitnodigen om het nu dan toch eindelijk te geloven, daarom zegt Hij het in totaal drie keer (Joël, Petrus en Paulus):

Want een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

Steeds staat er ‘al’ of ‘een ieder’. Daar hoor jij ook bij. Roep dan maar! In vraag 71 staat nog iets opmerkelijks. We lezen de omschrijving: … wassen wil… Terwijl we in de vragen & antwoorden 69 & 70 niets lazen over willen, maar over “…dat ik van al mijn zonden gewassen bén...”, en “… vergeving der zonden van God uit genade te hébben…” Gewassen te ZIJN en vergeving te HEBBEN is toch niet hetzelfde als: WIL vergeven. Of wel? Ja, dat is wél hetzelfde, want de Catechismus bedoelt met gewassen zijn en vergeving hebben dat jij en ik deze heerlijke evangeliegenade IN DE BELOFTE hebben. Dit houdt in: als jij niet in hartelijk geloof deze beloofde weldaden aanvaardt (zoals op de dag dat de Heilige Geest werd uitgestort, 3000 mensen het Woord, de belofte van genade, wel gaarne aannamen) dat je ze in de belofte wél hebt, maar níet in de toeëigening. Maar als jij de beloofde genade, namelijk de vergeving van al je zonden en de vernieuwing door de Heilige Geest, wél in geloof omhelst (door Gods genadige kracht!), dan heb je de beloofde goederen niet alleen in de belófte, maar ook in de tóepassing. Daarom kan de Catechismus afwisselend zeggen dat een gedoopte de vergeving hééft, en ook dat God bij de doop de vergeving heeft belóófd. Val dan aan de troon der genade neer om te leren deze beloofde weldaad je gelovig toe te eigenen, door de Heilige Geest, Die zoals het doopformulier ons leert ons toeëigent wat we in Christus hébben.

Omdat de inhoud van de beloften die in de doop worden afgebeeld en bevestigd, zo groot zijn, is de vraagsteller niet gerust voordat hij weet waar het in Gods onfeilbaar Woord staat. Mensen kunnen zich ook met de beste bedoelingen vergissen, maar de Bijbel vergist zich niet. Zo komt nu, nadat heerlijke dingen over de doop zijn beweerd, de vraag aan de orde: “Waar heeft Christus ons beloofd, dat Hij ons zo zeker met Zijn bloed en Geest wil wassen, als wij met het doopwater gewassen worden? Antwoord 71 luidt dan (in de oorspronkelijke Nederlandse vertaling):

In de insettinghe des Doops, welcke alsoo luydet:

       Gaet henen, leert alle volcken, hen doopende inden name des Vaders ende des Soons ende des heylighen Gheestes.

       Wie daer ghelooven sal ende ghedoopt sal worden, die sal salich werden. Maer wie niet gelooven sal, die sal verdoemt werden.

       Dese beloftenisse werdt oock verhaelt, daer de Schrift den Doop dat badt der wedergheboorte ende de af-wasschinge der sonden noemt.

Twee teksten worden aangehaald en naar nog twee andere teksten wordt verwezen. Alle vier staan in het Nieuwe Testament, omdat de doop pas in het Nieuwe Testament is ingesteld. De eerste uitspraak is te vinden in het laatste hoofdstuk van Mattheüs, vers 19. Jezus stuurt Zijn discipelen er op uit met de opdracht volken tot Zijn discipelen te maken en dat door ze te dopen. De Griekse woordorde, die in het Nederlands is weergegeven met: ‘onderwijst…, dopende…’, kun je eenvoudiger en begrijpelijker als volgt weergeven: ‘onderwijst… door te dopen’. Het woord ‘onderwijst’ betekent letterlijk: maakt tot discipel. Het woord ‘discipel’ betekent: leerling. Dus er staat: maakt alle volken tot Mijn leerlingen door hen te dopen in de Naam van...  De opstellers van de Heidelbergse Catechismus halen dit bevel van Jezus aan als antwoord op de vraag: “Waar staat dat nou dat de Heere Jezus mij belooft dat Hij mij nét zo zeker van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonde zal wassen, als ik gedoopt ben?” Volgens Olevianus en Ursinus staat dat in dit doopbevel… Misschien denk je wel: ik zie dat nog niet in die tekst staan. En ik kan je goed begrijpen. Het staat er ‘verpakt’. Je moet namelijk eerst weten wat de uitdrukking ‘dopen in de Naam van’ betekent. God belooft daar als de drie-enige onze God te zijn. Net als bij de besnijdenis in de dagen van Abraham, Genesis 17 vers 7:

Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u, en uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om voor u te zijn tot een God, en voor uw zaad na u.

Wat houdt dat in? De statenvertalers schrijven bij ‘tot een God’ ter verklaring:

Dat is, tot uw Zaligmaker, door de komende Messias. Deze manier van spreken bevat de goederen die dit verbond der genade meebrengt.

Onder andere: vergeving van zonden en het eeuwige leven (zoals antwoord 66 samenvat). De tweede tekst vinden we in het slothoofdstuk van Markus. In vers 15 lezen we dezelfde opdracht die ook in Mattheüs 28 staat:

Gaat heen in de hele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepselen.

Vervolgens lezen we de woorden die in antwoord 71 staan. Daar lezen we dat doop en geloof bijeen horen. De doop doet ons geen nut als er geen geloof is. Dit betekent niet dat de doop waardeloos is of nietszeggend, wanneer de dopeling zonder geloof is. Maar wel dat al wat de doop zegt of belooft – en dat is heel veel, zo hebben we gezien in de vragen & antwoorden 69 & 70 – alleen ons eigendom wordt door de vertrouwensband van het geloof.

Dan volgen er in antwoord 71 nog twee verwijzingen. De eerste is naar het derde hoofdstuk van de brief aan Titus, vers 5. Paulus heeft het over Gods reddend werk: Hij heeft ons zalig gemaakt. Hoe? Niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden. Waarom niet? Omdat ze er niet zijn. Wij doen wel werken der onrechtvaardigheid en der ongerechtigheid, maar geen werken van rechtvaardigheid. Maar hoe heeft God dan mensen gered?

Door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; Die Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker.

Het gaat over de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. Deze gave noemt Paulus een BAD. Waarom? De kanttekening op het woord bad luidt: dat is, door de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest, die als een waterbad is, waardoor de vuiligheden van onze zonden gewassen en gereinigd worden, waarvan het waterbad van de doop een teken en zegel is. Dus de doop is volgens de statenvertalers een afbeelding van het geestelijke bad, namelijk de wedergeboorte, of de vernieuwing door de Heilige Geest. En zij noemen de doop ook een zegel, waarmee gezegd wil zijn: zo zeker als je bent gedoopt, zo zeker ben je wedergeboren. De tweede verwijzing is naar een uitspraak van Ananias. Niet de man van Safira, die voor de voeten van de apostelen dood neer viel. Maar de man die de Heere Jezus in Damaskus naar Saulus van Tarsen stuurde om hem te vertellen over de genade van God. Paulus vertelt deze geschiedenis in Handelingen 22. Ananias zegt dan onder andere, in vers 16:

En nu, wat vertoeft gij [=wat aarzelt u nog]? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heeren.

Ananias verbindt de afwassing van de zonden aan de doop. Wanneer Saulus zich liet dopen, werden zijn zonden afwassen. Op grond van deze vier teksten uit de Heilige Schrift belijden wij: wanneer je gedoopt wordt, ontvang je het teken en het bewijs dat je zonden zijn vergeven en dat de Heilige Geest in je werkt en woont. Daarom zeggen de statenvertalers bij de uitspraak van Ananias: dat is, tot een teken en verzegeling, dat uw zonden door het bloed en de Geest van Christus afgewassen zijn. Wat blijkt uit het aanhalen van deze vier teksten in antwoord 71? Lees de vier genoemde verzen eens rustig, Mattheüs 28 vers 19; Markus 16 vers 16; Titus 3 vers 5 en Handelingen 22 vers 16. Nu stel ik je de vraag: “Wat staat er in over de inhoud en waarde van de doop?” Antwoord jij dan: “Hier staat dat God door de doop tegen mij zegt dat Hij mij net zo zeker van al mijn zonden zal reinigen als dat ik gedoopt ben”?

Ik vermoed dat wij geen van allen deze conclusie zouden durven trekken. Olevianus en Ursinus deden het wel. Hoe kwam dat? Omdat zij via Luther en Calvijn van God hadden geleerd dat de Bijbel een woord van belofte is. Zodat die schriftplaatsen ons beloven: wanneer jij in de Naam van God wordt gedoopt, terwijl je je in geloof aan Hem overgeeft, stort God op dat moment Zijn Heilige en reinigende Geest over je ziel uit tot je volkomen zaligheid!

Over psalmboek.nl

Contact

Copyright 2019


Sponsor: Erdee Media Groep