Bijbelstudie
Algemene stukken Voorrede Petrus Da... Bijbelteksten evan... Psalmen 1-40 Calvijn Psalm 1 en 2 > Meer Jeugdbijbel
Spreuken 1:8 Spreuken 1:17 Spreuken 2:4,5 Spreuken 2:7 Spreuken 3:1,2 > Meer Van Bishop J.C Ryle
Johannes 3:1-8 Johannes 4:28-29 Johannes 5:29 Johannes 6:47 Johannes 8:56 > Meer

Psalm 130 en jij

Auteur: ds. W. Pieters

Een van de meest bekende en geliefde Psalmen is wel de Psalm van deze en de volgende bladzijde. Voor allen die het leven niet zo eenvoudig vinden, maar nog al eens diepten en moeiten ervaren, spreekt het begin van Psalm 130 bijzonder aan: “Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!” Er staat niet ‘diepte’, maar ‘diepten’; geen enkelvoud, maar meervoud.

Aan welke diepten en moeiten de dichter denkt, schrijft hij er, door de besturing van Gods Geest, niet bij. En het is beter zo, want nu kan elke bijbellezer zijn eigen ‘diepten’ invullen. Nu is de Psalm toepasbaar op alle situaties van mensen in Derde Wereldlanden, in het verwereldlijkte West-Europa, in Latijns-Amerika en waar ook op de aardbol. Ook jouw situatie kun je, mag je, moet je in het oog hebben bij het lezen van deze Psalm.

Wat doet de dichter? Hij roept tot God en wel heel dringend, zoals uit vers 2 blijkt. Maar terwijl hij zo zijn nood klaagt en om hulp vraagt, schiet hem, om zo te zeggen, opeens te binnen dat hij helemaal niet op een gunstig antwoord van God kan rekenen, want (vers 3): “Als U, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat …, Heere, wie zal bestaan?”

Het Hebreeuwse woord voor ‘gadeslaan’ betekent zoiets als ‘letten op’, of ‘onthouden’. De kanttekening verduidelijkt het zo:

Versta hierbij: en die op het hoogste naar Uw rechtvaardigheid wil straffen.

De dichter is er vast van overtuigd dat God onze zonden heel ernstig opneemt, en toch klinkt in de zin door dat God de zonde niet hoeft te straffen aan de zondaar. De zin begint immers met ‘zo’, dat is ‘als’. En dat blijkt ook uit het volgende vers, vers 4. Daar zegt hij dat er bij deze heilige God, Die de zonden zo haat, toch vergeving is. Wat is vergeving? Dat het tussen God en ons goed komt. Wat een wonder! Wat een onbegrijpelijk wonder! Wat een eeuwig wonder! Wat een GOD-VERHEERLIJKEND wonder!

De dichter zei in vers 3 niet: “Ik heb vergeving ontvangen.” Hij zegt zelfs niet: “Maar bij U is er voor mij vergeving.” Hij zegt alleen: “Maar bij U is er vergeving.”

Dit is blijkbaar voor allen die Gods Woord ernstig nemen, genoeg om hoop te koesteren. God is vergevingsgezind! Dus is Hij ook mij vergevingsgezind. En in de offerdienst toonde God dat Hij een God van vergevingen was, elke nieuwe dag is er nieuwe zonde en elke nieuwe dag is er nieuwe vergeving.

Omdat God Zelf dit via heel de tabernakeldienst zegt, is dit waar, en is er alle reden om op deze vergevingsgezinde God te wachten, om Hem kinderlijk te vrezen en op Zijn verlossing te hopen. Ja, er is alle reden om iedereen in heel de kerk op te roepen om ook goede en hoopvolle gedachten te koesteren van deze God. Kijk maar naar vers 7. Daar roept de dichter heel het volk op om op de HEERE te hopen. Waarom? “Want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.”

Zo roep ik jou, lezer van dit jeugdblad, op om op de vergeving die er bij de Heere is, te hopen. Om niet moedeloos te worden, al word je nóg zo aangevochten, en al val je jezelf nóg zo tegen!

In het laatste vers staat een heel rijke belijdenis: “Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.” Voor wie geldt dit? Het adres staat er op twee manieren bij: het geldt voor mensen die ongerechtigheden hebben en zichzelf daar niet van kunnen verlossen. Hoor jij daar bij? Niet gemakkelijk zeggen dat je zondaar bent … Dat is zo goedkoop. Dat is zo huichelachtig. Nee, onderzoek het: heb jij ongerechtigheden en kun jij je er niet van verlossen?

Ten tweede staat er dat het voor Israël is. Er wordt niet gezegd: voor een deel van Israël, voor de vromen, de bekeerden, de gelovigen … Nee, voor Israël. Dat volk dat volgens het doorgaande getuigenis van het Oude Testament onvoorstelbaar zondig, ongelovig en afgodisch was … Net als ik … Net als jij … En nu mag héél Israël gebruik maken van deze belofte!

Ten slotte een vers in de berijming van ds. C.J. Meeuse:

Uit diepe, donk’re dalen
Waar ik niet weet te gaan, 
Maar moedeloos moet dwalen,
Roep ik, o God, U aan.
O HEERE, hoor mijn smeken,
Mijn schreien in mijn smart.
Verhoor! Mijn tranen spreken
Van een verbroken hart.

Mijn hoop staat op de HEERE.
Mijn ziel verwacht met smart
Hem Die mij wil bekeren.
Zijn Woord vernieuwt mijn hart.
Ik wacht met groter zorgen
Op God, uit ’s harten grond,
Dan wachters op de morgen,
Ja, op de morgenstond.

Kernverzen zijn:

Als U, HEERE,
de ongerechtigheden gadeslaat ...
HEERE, wie zal bestaan?

Maar bij U is vergeving
opdat U gevreesd wordt. 

Israël hope op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing. 

 

Sponsor:

Royal Jongbloed

Bijbels met Psalmen

Bijbels Herziene Statenvertaling

Bijbels voor jongeren

Kinderbijbels

Uitgeverij Groen